dinsdag 30 december 2008
Wensen en vooruitzichten
Intussen wens ik u een voortreffelijke overgang van oud naar nieuw en het beste voor net nieuwe jaar.
dinsdag 6 mei 2008
KLIP-Decreet gepubliceerd
maandag 5 mei 2008
De Raad der Wijzen lost het bevoegheidsprobleem inzake elektronische communicatie, media en telecommunicatie niet op
"Het voorstel reikt geen oplossing aan voor het probleem waarvan het Grondwettelijk Hof in zijn arresten herhaaldelijk melding heeft gemaakt, te weten dat "de bevoegdheden van de federale Staat en de gemeenschappen inzake de elektronische communicatie-infrastructuur, ten gevolge van de technologische evolutie, dermate verweven (zijn) geworden dat ze niet meer dan in onderlinge samenwerking kunnen worden uitgeoefend". (...)
De indieners van het voorstel zullen moeten uitmaken of de verdeling op dat punt van de bevoegdheden op het gebied van omroep en telecommunicatie niet dient te worden geregeld om de vooropgestelde doelstellingen inzake coherentie en doeltreffendheid met meer zekerheid te bereiken."
donderdag 24 april 2008
"Nieuwe" werken van algemeen belang
De lijst van de werken van algemeen belang is opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse bouwmeester, zoals laatst gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 22 februari 2008. Met deze laatste wijziging neemt de Vlaamse regering ook "de openbare leidingen voor het vervoer water en afvalwater met inbegrip van de bijbehorende infrastructuur, zoals waterzuiveringsstations, controlepunten, pomp- en overslagstations, dienstgebouwen en andere" op in de lijst.
vrijdag 18 april 2008
Wegvergunningen voor elektriciteit
In mijn bijdrage "Verticale eigendomsbegrenzingen door nutsvoorzieningen" (te verschijnen in J. GHYSELS, V. SAGAERT en R. PALMANS (eds.), Onteigeningen en eigendomsbeperkingen onder de grond en in de lucht, Antwerpen, Intersentia, 2008), schreef ik hierover dat het toekennen van wegvergunningen voor elektriciteit aan andere ondernemingen dan aan Elia of aan de exploitanten van een directe elektriciteitsleiding problematisch is.
Ondanks het feit dat de federale Elektriciteitswet 1999 de elektriciteitsmarkt formeel liberaliseerde, bevat deze wet geen enkele bepaling met betrekking tot het gebruik van openbare of private eigendom. Hiervoor moet teruggegrepen worden naar de (nog steeds geldende) bepalingen van de wet van 1925, waarvan het begrippenapparaat niet overeenstemt met de huidige marktorganisatie.
De wet van 1925 maakt een onderscheid tussen de rechten van:
– de Staat en de provincies;
– de gemeenten, de gemeentebedrijven en de intercommunales;
– de houders van een gemeentelijke vergunning;
– de houders van een wegenistoelating.
Wegenistoelatingen kunnen worden verleend aan particulieren of aan vennootschappen voor het aanleggen van elektriciteitslijnen voor de volgende doeleinden:
– om elektriciteit te vervoeren zonder levering op het grondgebied van een gemeente;
– om een onderneming toe te laten, voor eigen gebruik, zijn onderscheiden bedrijfszetels met zijn elektrische centrale te verbinden;
– om elektrische energie te bezorgen aan de grote verbruikers;
– om onderling (grote en kleine) elektriciteitscentrales te verbinden;
– om producenten, tussenpersonen en afnemers te verbinden door directe lijnen.
Artikel 8, § 1 van de Elektriciteitswet 1999 bepaalt dat één enkele beheerder het beheer van het transmissienet waarneemt. Vermits deze beheerder onafh ankelijk moet zijn van de staat, de provincies of de gemeenten, zou men kunnen aannemen dat hij voor elke uitbreiding van zijn transmissienet een wegenistoelating (of wegvergunning) dient aan te vragen op basis van de wet van 1925.
Gelet op het monopolie van de transmissienetbeheerder, kan men zich de vraag stellen of nog andere personen of ondernemingen elektrische lijnen kunnen aanleggen en wegvergunningen kunnen verkrijgen.
Het transmissienet wordt in de Elektriciteitswet 1999 omschreven als “het nationaal transmissienet voor elektriciteit, dat de bovengrondse lijnen, ondergrondse kabels en installaties omvat die dienen voor het vervoer van elektriciteit van land tot land en naar rechtstreekse afnemers van de producenten en naar distributeurs gevestigd in België, alsook voor de koppeling tussen elektrische centrales en tussen elektriciteitsnetten”.
Daarnaast omschrijft de Elektriciteitswet 1999 een “directe lijn” als “elke elektriciteitslijn ter aanvulling van het transmissienet, met uitzondering van de lijnen die deel uitmaken van een distributienet”. De aanleg van nieuwe directe lijnen is krachtens artikel 17 onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een individuele ministeriële vergunning indien de directe lijn bestemd is voor de bevoorrading in elektriciteit door een Belgische producent of tussenpersoon van één van zijn eigen vestigingen, dochterondernemingen of afnemers of van een in België gevestigde afnemer door een producent of tussenpersoon die in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd. Met andere woorden, directe lijnen kunnen enkel aangelegd worden tussen een producent en een afnemer of voor bedrijfsintern gebruik van een producent.
De aanleg van directe lijnen is afhankelijk van het bewijs van een weigering tot toegang tot het transportnet of van de afwezigheid van een aanbieding tot gebruik van het distributienet tegen redelijke economische of technische voorwaarden (art. 17, § 2 Elektriciteitswet en koninklijk besluit van 11 oktober 2000 tot vaststelling van de criteria en de procedure voor toekenning van individuele vergunningen voorafgaand aan de aanleg van directe lijnen). Het is de minister van Energie die de vergunning voor de directe lijn aflevert.
Op basis van de definities van transmissienet en van directe lijn zou men moeten concluderen dat enkel de netbeheerder en de houder van een vergunning tot aanleg van een directe lijn een wegvergunning kunnen verkrijgen.
Nochtans blijkt uit de publicaties in het Belgisch Staatsblad dat de afgelopen jaren aan andere ondernemingen wegvergunningen zijn toegestaan die de Koning goedgekeurd heeft:
– ondergrondse elektrische verbindingen door nv Zandvliet Power (koninklijk besluit van 3 juli 2005);
– twee ondergrondse 150 kV verbindingen vertrekkende van de bestaande 150 kV Elia post te Zeebrugge tot de toekomstige transformatoren van de vennootschap Interconnector (koninklijk besluit van 10 augustus 2004);
– twee ondergrondse 150 kV verbindingen vertrekkende van de bestaande 150 kV Elia post te Merksem tot de door de NMBS te bouwen 150 kV post te Antwerpen (koninklijk besluit van 4 juli 2004);
– twee ondergrondse 150 kV-verbindingen (landkabel tot aan de Elia-post in Slijkens en zeekabels komende van het windenergiepark op de Th orntonbank) door nv C-Power (koninklijk besluit van 10 augustus 2004).
Het is onduidelijk of in deze vier (intussen vijf) (gepubliceerde) gevallen de minister van Energie ook een vergunning voor de aanleg van een directe lijn heeft afgeleverd. Wat er ook van zij, het is duidelijk dat het naast elkaar laten bestaan van de wet van 1925 en de Elektriciteitswet 1999 juridisch verregaande onduidelijkheid in stand houdt, wat moeilijk vol te houden is.
donderdag 3 april 2008
Local loops - vergoeding incumbent
"Artikel 4 quater van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, en de artikelen 7, leden 2 en 4, en 12, lid 7, van richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision, verzetten zich ertegen dat een nationale reguleringsautoriteit de exploitant van een met een openbaar gebruikersnetwerk geïnterconnecteerd verbindingsnetwerk verplicht om aan de dominante exploitant een bijdrage te betalen ter compensatie van het deficit dat voor deze laatste ontstaat door de beschikbaarstelling van de local loops."
vrijdag 28 maart 2008
Convergentie in het akkoord van de Groep der Wijzen over de staatshervorming
De Groep der Wijzen was het ook eens dat de bevoegdheden van gemeenschappen inzake omroep moesten aangepast worden aan de actuele rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de invulling die hij aan deze bevoegdheid geeft.
Volgens de laatste definitie van het begrip "omroep" zijn "de gemeenschappen (...) bevoegd voor de via die infrastructuur aangeboden radio-omroepdiensten, die ook de televisie omvatten, met inbegrip van de diensten die openbare informatiegegevens verstrekken die vanuit het oogpunt van degene die uitzendt, voor het publiek in het algemeen of voor een deel ervan bestemd zijn en
geen vertrouwelijk karakter hebben, zelfs wanneer ze op individueel verzoek worden uitgezonden en ongeacht de techniek die voor het uitzenden ervan wordt gebruikt. Een dienst die geïndividualiseerde en door een vorm van vertrouwelijkheid gekenmerkte informatie levert, valt daarentegen niet onder de radio-omroep." (Arbitragehof, nr. 128/2005, 13 juli 2005, overw. B.7.2.)
Daarom omvat het ontwerp van bijzondere wet een nieuwe invulling van de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake omroep. De omschrijving van "omroep" wordt vervangen door het begrip "de media en de elektronische communicatie met een niet-vertrouwelijk karakter".
De federale bevoegdheid inzake telecommunicatienetwerken en -diensten blijft echter ongewijzigd.
donderdag 20 maart 2008
KLIP-Decreet
Het parlement ging hierbij fijntjes voorbij aan de zeer fundamentele bevoegdheidsrechtelijke kritiek van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Die meende dat het Vlaamse Gewest voor een zeer groot deel van de nutsvoorzieningen helemaal niet bevoegd was. De Vlaamse regering verdedigde haar (zeer ruime) toepassingsgebied door te verwijzen naar artikel 10 BWHI.
De afdeling wetgeving weerlegde nochtans ook deze piste:
"Wat betreft de kabels en leidingen die niet onder de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest vallen, blijkt het ontwerp echter niet aan te sluiten bij enige aan de gewesten overgedragen bevoegdheid. De vaststelling dat “het (…) evident [is] dat de doelstelling van het ontwerp van decreet enkel maar kan bereikt worden indien alle kabel en leidinginformatie in het KLIP kan verzameld worden” is in dit opzicht niet relevant: de doelstelling zelf van het ontwerp ligt immers deels buiten het bereik van het Vlaamse Gewest." (Parl.St.Vl. Parl., 2007-2008, nr. 1487/1, p. 47-48)
donderdag 3 januari 2008
Gemeentelijke belastingen op GSM-masten moeten afdoende gemotiveerd worden
Mobistar vraagt in 2001 de vernietiging van dit belastingsreglement. Mobistar voert in zijn tweede middel aan "que rien ne justifie que les propriétaires des autres réseaux de mobilophonie, ni plus généralement ceux des autres moyens de transmission de paroles ou de données par la voie des airs, notamment les exploitants d’émetteurs de radiocommunication, d’émetteurs d’autres réseaux privés de transmission de données, d’antennes des services de sécurité destinées à la transmission de données ou de paroles et d’antennes des services de transport en commun, ni les propriétaires des câbles de télédiffusion, ne soient frappés par la taxe".
In zijn arrest van 20 november 2007 (R.v.St., SA Mobistar, nr. 176.934, 20 november 2007) gaat de Raad hierop in:
Considérant que cette large autonomie fiscale des communes trouve une limite dans l’obligation de respecter le principe de l’égalité devant l’impôt [article 172 de la Constitution] (...); que cette règle n’exclut pas qu’un régime fiscal différent soit établi à l’égard de certaines catégories de biens ou de personnes, pourvu que le critère de différenciation soit susceptible de justification objective et raisonnable; que l’existence d’une telle justification doit s’apprécier en tenant compte du but et des effets de la taxe visée, en respectant un rapport de proportionnalité entre les moyens utilisés et le but poursuivi; que par ailleurs, une rupture d’égalité n’existe que s’il y a distinction arbitraire, c’est-à-dire lorsque l’autorité administrative applique un régime différent à des personnes qui se trouvent dans une même situation objective et impersonnelle;
Considérant que pour identifier et apprécier la pertinence du critère de différenciation et le but poursuivi par l’auteur d’un règlement-taxe communal, il y a lieu de se référer aux motifs de ce règlement, lesquels doivent apparaître dans son préambule ou résulter du dossier constitué au cours de son élaboration ou encore doivent pouvoir être déduits du dossier administratif produit par la commune; qu’en l’espèce, le préambule du règlement-taxe se borne à viser «la situation financière de la commune», tandis qu’aucun dossier ou pièce se rapportant à la préparation de la délibération du conseil communal n’a été versée au dossier; que si le motif figurant dans le préambule du règlement et tiré de la situation financière de la ville justifie l’existence d’une taxation, il n’explicite nullement pourquoi la taxe est due par les propriétaires de pylônes de diffusion pour GSM et non par ceux d’autre pylônes supportant des appareils de télécommunication; que faute de connaître le but poursuivi par l’auteur du règlement-taxe litigieux, il ne peut être tenu pour établi que la différenciation faite repose sur un critère susceptible de justification objective et raisonnable; que le moyen est fondé en sa seconde branche;"
woensdag 2 januari 2008
Nutsvoorzieningen en architectonisch karakter
De toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 moet uit het administratief dossier blijken. Een vergunningverlenende overheid moet aangetoond hebben dat de bestreden vergunning op grond van dat artikel afgegeven werd en de bouwaanvraag onder dat oogpunt onderzocht werd (R.v.St., Goossens, nr. 58.476, 7 maart 1996). Wanneer niets in het dossier laat veronderstellen dat de aanvraag op grond van deze bepaling is ingediend, onderzocht of ingewilligd is aan deze voorwaarde niet voldaan (R.v.St., Glorieux, nr. 121.242, 3 juli 2003).
De enkele vermelding “dat het gaat om werken van algemeen nut” is niet voldoende opdat de verenigbaarheid met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied wordt aangetoond (R.v.St., Coppens, nr. 80.778, 9 juni 1999). Ook wanneer er geen concrete gegevens in de vergunning voorhanden zijn waaruit een toetsing blijkt van de aanvraag aan de bestemming of aan het architectonisch karakter van het gebied en waaruit in concreto de verenigbaarheid van de vergunde handelingen en werken hiermee kan blijken, is de motivering in het vergunningsbesluit niet afdoende om de afgifte van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning met toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 wettig te kunnen verantwoorden (R.v.St., Verheecke, nr. 125.074, 5 november 2003). Een tachtig meter hoge toren voor straalverbindingen, langs een landelijke weg, midden een landschappelijk waardevol gebied, zelfs omringd door een groenaanplanting bestaande uit hoogstammige bomen en streekeigen struiken, kan in redelijkheid niet beschouwd worden als verenigbaar met het architectonisch karakter van een landschappelijk waardevol gebied en met de algemene bestemming van een agrarisch gebied (R.v.St., Gemeente Merchtem, nr. 29.512, 3 maart 1988). De aanwezigheid van storende constructies in een gebied dat door het gewestplan is bestemd tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied, is volgens de Raad van State geen reden om het landschap daar nog verder te laten aantasten.
M.b.t. de inplanting van een GSM-mast in een agrarisch gebied, motiveerde een bestreden besluit, met betrekking tot de verenigbaarheid van de aanvraag met het architectonisch karakter van het betrokken gebied:
“C/ Verenigbaarheid met het architectonisch karakter.
De installatie (pyloon, technische kast en omheining) neemt slechts een beperkte oppervlakte in. Bovendien is de pyloon qua hoogte (33m) niet echt als storend te beschouwen in dit specifieke gebied waarin ook reeds het vergunde Aquafin bufferbekken is gelegen zodat gesteld kan worden dat in deze zone een installatie voor openbaar nut wordt gebundeld met een reeds bestaande installatie voor openbaar nut. Het volledige gebied wordt bovendien omzoomd door hoogstammige bomen in lijnvorm waardoor de visuele hinder, die door de installatie wordt veroorzaakt, wordt beperkt. Door de gekozen masttypologie (vakwerkpyloon met topbuis) wordt het profiel van de mast beperkt en wordt enige transparantie ten opzicht(e) van de omgeving gerealiseerd. Door het bundelen van de installaties van de drie operatoren op één pyloon wordt voorkomen dat elders bijkomende installaties zouden moeten worden geplaatst. De bijkomende ruimtelijke hinder en visuele impact, die door de nieuwe installatie worden veroorzaakt, worden daardoor tot een aanvaardbaar minimum beperkt. Uit het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos blijkt bovendien dat geen significant negatieve effecten voor de te beschermen soorten en habitats in de SBZ te verwachten zijn."
Voor de Raad van State (R.v.St., Theunis, nr. 177.699, 7 december 2007) was deze motivering onvoldoende:
"In deze motivering wordt het architectonisch karakter van het betrokken agrarisch gebied waarmede de ontworpen constructie verenigbaar moet zijn niet toegelicht. Uit de vaststelling dat de installatie slechts een beperkte oppervlakte inneemt en dat de pyloon qua hoogte niet echt als storend te beschouwen is in dit specifieke gebied, dat het gebied wordt omzoomd door hoogstammige bomen in lijnvorm, en dat is gekozen voor een transparant mastprofiel, kan dan ook niets worden afgeleid met betrekking tot de verenigbaarheid met het architectonisch karakter van dat gebied. Voor het overige valt niet in te zien wat de relevantie is van de bundeling met een reeds bestaande installatie voor openbaar nut, en het bundelen van de installaties van 3 operatoren op één pyloon, ten aanzien van de verenigbaarheid met het architectonisch karakter van het gebied."
Over dit thema, en andere problemen rond ruimtelijke ordening en nutsvoorzieningen, schreef ik in 2005 "Dansen op een slappe leiding: ruimtelijke ordening en nutsvoorzieningen" in TROS. Een kopie hiervan vindt u hier.
Update 9 januari 2007: Voor een gelijkaardige uitspraak in het Waalse Gewest, zie R.v.St., Guerin, nr. 178.005, 18 december 2007.Beste wensen voor 2008
maandag 17 december 2007
Niet zo consequente overheid
"ASTRID peut à tout moment céder en tout ou en partie la station de base à un tiers ou (la) donner en sous-location à condition que le propriétaire soit informé de cette cession ou de cette sous-location par lettre recommandée."
ASTRID sluit een onderhuurovereenkomst af met BASE, die op het een aantal antennes wil aanbrengen op de zendmast van ASTRID. BASE vraagt hiervoor een stedenbouwkundige vergunning aan bij het Waalse Gewest. Ondanks het negatief advies van de gemeente Messancy levert het gewest de vergunning af.
De gemeente Messancy gaat in beroep bij de Raad van State. Die wijst het vernietigingsberoep (uiteraard) af (R.v.St., Commune de Messancy, nr. 177.006, 22 november 2007):
"Considérant qu'en acceptant que la S.A. de droit public ASTRID conclue un contrat de sous-location à la seule condition d'en être informée, la partie requérante a accepté que le mât porteur des antennes de sa locataire puisse être utilisé par un ou plusieurs autres opérateurs de téléphonie mobile; qu'il convient d'insister sur la circonstance que la partie requérante propriétaire des lieux se satisfait d'une simple information de la survenance d'une sous-location et n'exige pas de donner son accord préalablement à la conclusion d'un contrat de sous-location;
Considérant qu'en introduisant le présent recours, la partie requérante procède à un revirement d'attitude qui n'est justifié par aucun élément nouveau; qu'en effet, la délibération du 20 septembre 2005 de son collège des bourgmestre et échevins d'introduire le présent recours en annulation est justifiée par référence à l'avis défavorable du même collège du 13 juillet 2004, lequel était justifié par la circonstance que l'autorisation initiale d'ériger le pylône avait été consentie par la commune au motif que les antennes à y placer étaient utiles à la sécurité publique, "ce type d'installation étant nécessaire à la communication des différents services de sécurité (police, pompiers, armée, etc.)"; que si la partie requérante entendait limiter l'usage du pylône à la seule société ASTRID, il lui appartenait soit d'interdire la sous-location et la cession de bail, soit de ne les autoriser que sous réserve de son approbation préalable;"
vrijdag 30 november 2007
Retributies voor het gebruik van het openbaar domein - wetsvoorstel de Donnéa
Het wetsvoorstel beoogt de vervanging van artikel 98, § 2, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven door de volgende tekst:
De overheid die bevoegd is voor het openbaar domein bestaande uit de wegen en de aanhorigheden ervan kan voor het gebruik van dat domein een retributie opleggen aan iedere betrokken operator van een openbaar telecommunicatienet, op grond van dezelfde criteria voor elk van die operatoren.
woensdag 28 november 2007
Retributies en het gebruik van het openbaar domein
Over dit arrest schreven Prof. Dr. Peggy Valcke en David Stevens een interessante bijdrage.
Tijdens de laatste vergadering van de Commissie Infrastructuur van de Kamer stelde François-Xavier de Donnéa aan minister Verwilghen een vraag over de vraag van de Waalse gemeenten aan het Waalse Gewest om het mogelijk te maken dat zij het gebruik van hun openbaar domein door telecomoperatoren zouden kunnen afhankelijk maken van de betaling van een belasting of retributie.
Op het einde van de interventie stelden de beide sprekers:
[Verwilghen] Monsieur de Donnea, à l'époque, vous avez sans doute eu raison de vouloir introduire une modification de loi car, en somme, la Cour institutionnelle l'impose pour une partie, donnant en tout cas la compétence aux Régions d'intervenir dans cette matière.
François-Xavier de Donnea (MR): Monsieur le ministre, si je comprends bien, la Cour constitutionnelle a annulé l'article 98, §2. Les Régions peuvent donc aujourd'hui taxer ou prélever une redevance également sur les infrastructures de télécommunications qui utilisent la voirie.
Marc Verwilghen, ministre: On évite ainsi le conflit d'intérêts que vous avez, à juste titre, suggéré si l'article était encore en vigueur.
François-Xavier de Donnea (MR): Je me réjouis de la sagesse de la Cour constitutionnelle. Heureusement qu'elle existe!
Deze analyse is gestoeld op een zeer slechte lezing van het arrest van het Grondwettelijk Hof.
Het Hof besliste immers:
- Het gebruik van het gewestelijk openbaar domein kan onderworpen worden aan een vergunningsplicht;
- Voor het afleveren van de vergunning kan het gewest een retributie vragen;
- Voor het gebruik van het openbaar domein kan het gewest een retributie opleggen;
- Voor het gebruik van het openbaar domein kan het gewest geen belasting heffen.
Over taksen, cijnzen of andere vergoedingen sprak het Hof zich niet uit.
Met andere woorden: artikel 98, § 2, van de wet van 21 maart 1991 is niet "annulé". Het Hof sprak zich enkel uit over een Vlaams decreet dat de retributie oplegt. Het artikel blijft met andere woorden bestaan zoals het bestaat, tot zolang er geen nieuw gewestelijke regel komt die het opleggen van een retributie mogelijk maakt.
De stand van zaken is dus, volgens mij, nu als volgt:
Vlaams Gewest
Een retributie kan gevorderd worden voor het gebruik van het gewestelijk openbaar domein.
Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Waalse Gewest
Een retributie kan gevorderd worden voor het gebruik van het gewestelijk openbaar domein als er een decreet of ordonnantie gestemd en gepubliceerd wordt die een retributie oplegt. Op dit moment zijn er geen decreten of ordonnanties die dat mogeljk maken.
De provincies en gemeenten
De provincies en gemeenten mogen op dit moment geen belasting, taks, cijns, retributie of enige vergoeding ook vragen voor het gebruik van het gemeentelijk openbaar domein.
dinsdag 27 november 2007
Ruimtelijke Ordening en Nutsvoorzieningen
In dit artikel bespreek ik:
- de planologische aspecten (ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, gewestplannen, stedenbouwkundige verordeningen); en
- de vergunningsrechtelijke aspecten (wanneer is (geen) stedenbouwkundige vergunning vereist, wat is de procedure, wie is de vergunningverlenende overheid, wanneer is er de medewerking van een architect nodig, is er een advies van de gemachtigde ambtenaar nodig?).
maandag 12 november 2007
KLIP in de Beleidsbrief Geografische Informatie van Minister-President Peeters
"Nu het Kabel en Leiding Informatie Portaal (KLIP) sinds begin 2007 operationeel is kunnen alle kabel- en leidingbeheerders correcter, uniformer en efficiënter werken. Het KLIP levert tijdswinst op en vermindert de administratieve lasten en kosten aanzienlijk. Dat op zo’n korte tijd zo intensief gebruik wordt gemaakt van het KLIP, kan zonder twijfel een succes worden genoemd. De Vlaamse Regering heeft op vrijdag 29 juni 2007 het voorontwerp van KLIP-decreet principieel goedgekeurd. Het KLIP-decreet voorziet enerzijds in een verplichting voor aannemers om zich, naar aanleiding van grondwerken, te informeren over de ligging van kabels en leidingen en anderzijds in een verplichting voor de kabel- en leidingbeheerders om informatie in het KLIP in te voeren over kabels en leidingen. In 2008 zal ik het ontwerp van KLIP-decreet voorleggen aan het Vlaamse Parlement ter goedkeuring."
maandag 5 november 2007
GSM-Masten in de Duitstalige gemeenschap
"In der Erwägung, dass der angefochtene Rechtsakt eine Städtebaugenehmigung ist; dass der Kläger den von ihm selber mitgeteilten Plänen zufolge ungefähr 700 Meter entfernt von der bereits bestehenden Antenne wohnt; dass diese Antenne sich außerdem auf einem Grundstück befindet, das höher liegt als dasjenige des Wohnsitzes des Klägers; dass der Kläger zur Unterstützung seiner Behauptung verschiedene Artikel über die Folgen der Wellen für die Gesundheit beifügt; dass der Ton dieser Artikel selber vorsichtig und hypothetisch ist; dass der Kläger nicht nachweist, er habe ein bestehendes, gegenwärtiges und sicheres Interesse an der Klageerhebung."
dinsdag 31 juli 2007
Een verklaring van openbaar nut is niet de laatste horde
De heer en mevrouw Pype vorderen de schorsing van deze verklaring en voeren een vierledig moeilijk te herstellen ernstig nadeel (MTHEN) in dat zij zouden ondervinden mocht de verklaring van openbaar nut niet geschorst worden door de Raad van State:
- Schade aan de teelaarde en de grond;
- Blijvende schade aan de drainagesystemen op de akkers;
- Schade door de aanwezigheid van de inspectieputten, waardoor het uitermate hinderlijk wordt om met landbouwvoertuigen het land te bewerken;
- Een moreel nadeel: verzoekers zijn respectievelijk vijfenzestig en zestig jaar oud; hun levenswerk zou door de aanleg van de infrastructuur ondermijnd worden.
De Raad van State ontwaart echter geen MTHEN (R.v.St., Pype, nr. 173.485, 12 juli 2007):
Overwegende dat met de verwerende partij en de tussenkomende partij wordt aangenomen dat het bestreden besluit enkel een verklaring van openbaar nut inhoudt die betrekking heeft op de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Torhout, de gemeente Hooglede en de gemeente Lichtervelde en dat voornoemd besluit “geenszins de nodige stedenbouwkundige vergunning (inhoudt) voor de oprichting van de betrokken rioolwaterzuiveringsinstallatie”; dat de tussenkomende partij daaraan op goede gronden toevoegt dat de nadelen die de verzoekers aanvoeren uitsluitend voortvloeien uit de bouw en de exploitatie van de op te richten rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en dat zij bijgevolg hun oorzaak niet vinden in het bestreden besluit maar in beslissingen die later eventueel kunnen of zullen worden genomen;
Overwegende tenslotte dat de nadelen die de verzoekers inroepen op dit ogenblik een hypothetisch karakter vertonen;
dinsdag 24 juli 2007
Kabeldistributie en het Europees (aanbestedings)recht
Kan een gemeente, zonder beroep te doen op de mededinging, lid worden van een coöperatieve vennootschap, waarvan de aandeelhouders enkel gemeenten zijn of verenigingen van gemeenten (zuivere intercommunales) met het oog op de overdracht van het beheer van haar teledistributienet in de wetenschap dat de vennootschap het essentiële deel van haar activiteiten realiseert met haar aandeelhouders en ter hunner ontlasting (“à leur décharge”) en dat de beslissingen over de vennootschap genomen worden door de raad van bestuur en door de sectorcomités binnen de grenzen aangegeven door de raad van bestuur, die statutaire organen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de openbare overheden en waarvan deze de meerderheid vormen? Kan het aldus uitgeoefende toezicht (“maîtrise”), middels de statutaire organen, door alle coöperanten of door een deel van hen in het geval van exploitatiesectoren of –ondersectoren, op de beslissingen van de coöperatieve vennootschap beschouwd worden als hen toelatende om een toezicht op de vennootschap uit te oefenen zoals op haar eigen diensten? Moeten dit toezicht en deze controle door de leden individueel uitgeoefend worden of volstaat het dat dit gebeurt door de meerderheid van de aangesloten leden?
Begin 1969 tekenen Coditel en de gemeente Ukkel een overeenkomst “relative aux conditions d'utilisation du domaine communal pour l'installation et l'exploitation d'un réseau de télédistribution sur le territoire de la commune d’Uccle”. Eind oktober 1999 koopt de gemeente Ukkel het kabelnet over van Coditel voor iets minder dan 50 mio BEF (iets minder dan 1,25 mio EUR) zonder BTW.
Op hetzelfde moment beslist de gemeente Ukkel om de exploitatie van het kabelnet in concessie te geven. Coditel dient voor deze concessie een offerte in. Op vraag van de gemeente Ukkel bevestigt zij daarnaast dat zij bereid is om het kabelnet over te nemen voor 1,5 mia BEF (37 mio EUR).
In mei 2000 beslist de gemeente Ukkel om af te zien van het in concessie van het kabelnet en zich “te oriënteren naar de verkoop van het net”. Een bestek wordt hiertoe opgesteld. Coditel biedt in oktober 2000 750 mio BEF (18,6 mio EUR) voor het kabelnet.
Eind november beslist de gemeente Ukkel om het kabelnet niet te verkopen omdat “dans ces conditions la vente du réseau ne constituerait pas un acte de bonne gestion, soucieuse des deniers communaux”. Tijdens dezelfde gemeenteraad beslist Ukkel echter om aan te sluiten bij de coöperatieve vennootschap Brutele met een inbreng van het kabelnet in het kapitaal van Brutele.
Coditel dient een verzoek tot nietigverklaring in tegen deze beslissing (en andere hiermee verband houdende beslissingen). Coditel meent dat de beginselen van niet-discriminatie en in mededinging stellen niet gerespecteerd zijn.
De Raad van State stelt in de eerste plaats vast dat de toetredingsbeslissing van de gemeente Ukkel uiteindelijk toch moet gekwalificeerd worden als een concessie van openbare dienst omdat “malgré les termes ambigus utilisés, la commune d’Uccle reste propriétaire de son réseau”. Daarenboven ontvangt de gemeente jaarlijks vergoedingen van Brutélé die in verhouding staan tot het aantal abonnees op het grondgebied van de gemeente. Volgens de Raad zijn weliswaar de regels inzake overheidsopdrachten niet van toepassing, maar in ieder geval wel “les règles fondamentales du droit communautaire primaire en général et le principe de non-discrimination en raison de la nationalité en particulier, ce principe impliquant, notamment, une obligation de transparence qui permet au pouvoir adjudicateur de s’assurer que ledit principe est respecté”. Hij verwijst hiervoor naar het arrest-Telaustria.
De Raad beslist wel dat Ukkel kon beslissen om haar netwerk niet te verkopen en om een andere oplossing te zoeken. Echter, de Raad meent dat de gemeente niet “sans appel à la concurrence ni examen comparatif des offres en présence, retenir directement et immédiatement la formule de l’affiliation à la S.C. BRUTELE alors que l’opération s’apparente à une concession de service et en constitue même une au sens du droit communautaire”.
Volgens de Raad moest de gemeente “pour satisfaire aux exigences du droit communautaire, faire appel à la concurrence en vue d’examiner si la concession de son service de télédistribution à la société requérante ou à d’autres opérateurs économiques ne constituait pas une alternative plus avantageuse que celle finalement retenue”.
Vervolgens maakt de Raad een vreemde wending in haar redenering. Hoewel zij vaststelt dat het hier in casu gaat om een concessie van openbare dienst, waarop de algemene principes van het Europees recht van toepassing zijn, verwijst zij naar het Teckal-arrest van 18 november 1999 en het Telaustria-arrest van 7 december 2000. Hij onderzoekt of “le contrôle exercé sur l’entité concessionnaire par le pouvoir concédant soit analogue à celui que cette dernière exerce sur ses propres services et, d’autre part, que cette entité réalise l’essentiel de son activité avec l’autorité qui la détient.”
De Raad besluit:
Considérant qu’au vu de ces éléments le Conseil d’Etat est enclin à considérer que le premier moyen est fondé; qu’il estime toutefois ne pas être suffisamment éclairé par la jurisprudence de la Cour de Justice pour se prononcer définitivement sur l’existence d’une exception aux règles et principes susmentionnés du droit communautaire primaire dans le cas d’espèce; qu’avant de statuer sur le moyen, dans un souci d’unité dans l’application du droit communautaire, il y a lieu de poser à la Cour de Justice des Communautés européennes la question préjudicielle figurant au dispositif du présent arrêt.
Dit arrest roept heel wat vragen op.
In de eerste plaats is het zeer betreurenswaardig dat de Raad na de zitting van 13 oktober 2004 er bijna drie jaar over doet om tot een arrest te komen.
Daarnaast wekt het verwondering dat de Raad intussen geen rekening lijkt te houden met nieuwere rechtspraak van het Hof van Justitie (zie de arresten Teckal, Stadt Halle, Commissie/Spanje, Commissie/Oostenrijk, Carbotermo en Consorzio Alisei, en vooral Auroux) .
Tenslotte stelt zich de vraag waarom de Raad op basis van de vaststelling dat de beginselen van niet-discriminatie en transparantie geschonden waren door de gemeente Ukkel toch nog een zeer vage, maar tegelijk gewrochten prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie.
donderdag 19 juli 2007
Verplaatsing van nutsleidingen
"De Staat, de provinciën en de gemeenten hebben in alle geval het recht om de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken later op hun onderscheidenlijk domein te doen wijzigen. Worden wijzigingen opgelegd hetzij om reden van de openbare veiligheid of tot behoud van natuurschoon, hetzij in het belang van de wegen, waterloopen, vaarten of van een openbaren dienst, hetzij als gevolg van veranderingen welke de aangelanden aan de toegangen tot de eigendommen langsheen de gebezigde wegen hebben toegebracht, dan zijn de kosten der werken ten laste van de aanneming, die den aanleg heeft gedaan; in de andere gevallen komen ze ten laste van de overheid die de wijzigingen oplegt."
In het kader van de werken voor de HSL, vroeg de NMBS onder andere aan IGAO en aan AWW om hun leidingen te verplaatsen. De discussie over de kostprijs van deze verplaatsing leidde tot het arrest van het Hof van Cassatie van 22 juni 2007 (Cass. AWW/NMBS Holding en IGAO/NMBS Holding, C.05.0514.N en -C.05.0518.N/19).
In dit arrest oordeelde het Hof van Cassatie:
1. De bovengrondse kruising van een lager gelegen gewone weg door een spoorweg, ook al steunt deze bovengrondse kruising op een bouwwerk dat rust op de lager gelegen weg, heeft op de plaats van die kruising niet de inlijving tot de spoorweg tot gevolg van de lager gelegen weg. Werken aan de bovengrondse spoorweg kunnen dus geen aanleiding geven tot de toepassing van het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 voor de verplaatsing van leidingen onder de lagergelegen gewone weg omdat deze gewone weg geen deel uitmaakt van de spoorweg.
2. Een overheid kan zich enkel beroepen op dit zevende lid op een moment dat de grond waaronder zich de te verplaatsen leidingen bevinden nog niet onder haar beheer, maar onder het beheer van een andere overheid vallen.
